Leugens, grove leugens en statistieken
zaterdag 1 maart 2008“Er zijn drie soorten leugens. Leugens, grove leugens en statistieken.” Een bekende uitspraak van Benjamin Disraeli over cijfers. Met cijfers en statistieken kun je beweren en onderbouwen wat je maar wilt. In het Rotterdamse bestuur wordt daar vaak “creatief” mee omgegaan. Als je te weinig weet over de achtergrond van die cijfers of niet de beschikking hebt over het onderzoek waarop die gegevens gebaseerd zijn, dan is datgene wat beweerd wordt moeilijk te controleren of te weerleggen. Ik zal een paar voorbeelden geven die me de laatste weken opvielen in persberichten van de gemeente.
Half januari van dit jaar publiceerde wethouder Schrijer een persbericht onder de ronkende kop “Rotterdam wordt weer Werkstad!” Dat ging over de daling van het aantal mensen met een bijstandsuitkering in Rotterdam. Het succes van het eigen beleid wordt breed uitgemeten. “Sinds de start van het huidige college is het aantal met ruim 5.000 afgenomen” En om de prestatie nog overtuigender neer te zetten: “Sinds de start van deze collegeperiode in mei 2006 is de afname van het aantal uitkeringen al 1000 meer dan de afname tijdens de gehele vorige collegeperiode.”
Een half jaar eerder kwam Schrijer met een vergelijkbaar hoera-persbericht. “Rotterdam heeft in de G4 verreweg de hoogste uitstroom. Ons succesverhaal heeft dus niet simpelweg te maken met gunstige economische omstandigheden. Deze resultaten halen we vooral doordat SoZaWe Rotterdam specifiek beleid maakt en de klantmanagers daar knap uitvoering aan geven.”
Opvallend is dat in het perbericht van januari die vergelijking met andere grote steden niet meer wordt gemaakt. Nu de cijfers over heel Nederland door het CBS gepubliceerd zijn, blijkt waarom.
De uitstroom uit de bijstand was in Rotterdam over heel 2007 met 7,2% LAGER dan gemiddeld in Nederland (9,0%) en lager in vergelijking met Utrecht (15,7%), Den Haag (12,4%) en Amsterdam (7,8%). Of we DIE cijfers nog tegen gaan komen in een persbericht van B&W?
Mijn punt is dit. Wat blijft er met die CBS cijfers nog over van de bewering dat het huidige Rotterdamse college het zoveel beter doet dan in de rest van Nederland en in vergelijking met het vorige college (dat bestuurde in een heel andere economische conjunctuur) ?
Tweede voorbeeld is een passage uit een persbericht van de wethouders Harbers en Karakus over het Rotterdam Central District. Om de enorme mogelijkheden en ambitie voor het Stationskwartier te onderstrepen stellen de beide wethouders over de komst van de HSL en Randstadrail dit: “Naar verwachting zal Rotterdam daardoor zo’n 75 miljoen reizigers ontvangen, een flinke stijging ten opzichte van de huidige 40 miljoen. Dit maakt het gebied tot een aantrekkelijke locatie voor internationaal georienteerde bedrijven en voor kantoren die de zuidkant van Randstad als bestrijken.”
Hoe komt het college aan die 35 miljoen extra reizigers? De HSA (samenwerkingsverband dat in Nederland de HSL gaat runnen) verwacht zelf alles bij elkaar zo’n 22 miljoen reizigers per jaar (16 miljoen binnenlands en 6 miljoen internationaal). Welk deel van die 22 miljoen bezoekt of vertrekt vanuit Rotterdam? Laten we opmistisch zijn en dat op zo’n 7 miljoen stellen. Dan de Randstadrail. Op het Rotterdamse deel van het traject verwacht Randstadrail zelf uiteindelijk zo’n 28.000 reizigers per dag. Dat is per jaar 10 miljoen.
Ik kom dan op een totaal van 17 miljoen extra reizigers en dat is volgens mij een optimistische inschatting gezien de problemen bij en het imago van Randstadrail. Hoe komen Karakus en Harbers aan die 35 miljoen meer bezoekers van het nieuwe CS?
Het lijkt me stug dat de NS die extra 18 miljoen nog in de huidige overvolle treinstellen weet te proppen. Zeker als je daar ook nog eens bij optelt dat men de Beneluxtrein op wil heffen ten faveure van de HSL.
Ook in het AIR debat over het Stationskwartier voerde Astrid Sanson, directeur DS+V, de enorme toename van het aantal reizigers op als motor achter de ontwikkeling. Voor zover ik dat kan bekijken is het cijfer van 75 miljoen reizigers gebaseerd op drijfzand. En als dat cijfer drijfzand is, is dan niet een behoorlijk deel van de ambities die daarop gebaseerd zijn ook drijfzand?
Nog een voorbeeld met cijfertjes. Afgelopen week verstuurde het College een persbericht met als kop: “Grote aantrekkingskracht binnenstad: 94% van nieuwbouwaanbod verkocht”. Het gaat goed met de verkoop van nieuwbouwwoningen in Rotterdam, aldus de gemeente. “Voor heel Rotterdam geldt dat 78% van het nieuwbouwaanbod is verkocht. In voorgaande jaren lag het gemiddelde tussen de 60 en 65%. In totaal zijn in 2007 1.875 woningen verkocht. Relatief gezien zijn de meeste woningen verkocht in de binnenstad. In dit gebied is 94% verkocht.”
Een vergelijkbaar bericht of cijfers over het jaar 2006 kon ik niet inden. Maar wel over het jaar daarvoor. In een persbericht van het OBR werd op 2 februari 2006 dit gemeld: “Stijgende lijn verkoop nieuwbouwwoningen zet door”. In het jaar 2005 werden 1.800 nieuwbouwwoningen verkocht.
Let op dat cijfer. In 2007 wordt gesuggereerd dat er flinke vooruitgang is, “grote aantrekkingskracht”. In werkelijkheid gaat het om 75 verkochte woningen meer dan twee jaar geleden. Dat is wel wat minder spectaculair natuurlijk.
Politiek en stadhuis, Rotterdam |
1 reactie




“Een pond presentatie is soms meer waard dan een kilo prestatie”, zo luidt een zeker gezegde.
In de lokale democratie heeft de gemeenteraad een taakstellende taak en ook een controlerende taak. Om deze goed te kunnen uitoefenen is het belangrijk enige kennis van zaken te hebben. De praktijk laat zien dat het een illusie is om te denken dat er voldoende deskundigheid over alle onderwerpen in het ambtelijk apparaat aanwezig is. Er gaat immers wel eens wat fout; soms wordt het direct geconstateerd, soms kan het worden verhuld. Bestuurders en ambtenaren zijn nu eenmaal niet onfeilbaar. Met statistieken kunnen andere partijen op het verkeerde been worden gezet, maar ook met een slim woordenspel.
Zo was het schokkend om te ervaren dat de sociaal-economische problematiek in de Bonnenpolder ineens werd omschreven als “privé-problematiek”. Vanuit een regenteske houding worden burgers en ondernemers die bezorgd zijn om de toekomst van hun leef- en werkomgeving ineens als “lastig” ervaren en vervolgens uitgeleverd aan de grondspeculanten in het gebied. Zo werd met het Gebiedsontwikkelingsplan De Bonnen beoogd de problemen integraal op te lossen en werden mensen meegenomen in een traject om hen vervolgens te laten vallen als het moeilijk wordt. Uiteindelijk zijn de problemen slechts toegenomen en is er veel maatschappelijke schade ontstaan. Bij succes staan bestuurders te dringen om dit op hun conto te schrijven, maar bij falen is men niet te vinden of creatief om er nog een positieve draai aan te geven.