Paars-plus: hoe vertellen we het de kiezers?
donderdag 8 juli 2010De knutselaars aan paars-plus willen een kabinet dat “op enige afstand van de Kamer staat” en een coalitieakkoord op hoofdlijnen. Informateur Tjeenk Willink zegt het zo in zijn eindverslag: “Een grotere afstand dan nu ligt ook voor de hand vanwege de spanning tussen de gepolariseerde situatie voor de verkiezingen en de werkelijkheid daarna.” In de bijlage van dat rapport geeft Tjeenk Willink aan waar het volgens hem echt om gaat: “Om de crises, nationaal en Europees, het hoofd te bieden, zijn ingrijpende veranderingen nodig. Die veranderingen zijn alleen uitvoerbaar wanneer daarvoor een breed maatschappelijk draagvlak ontstaat.” Oftewel: hoe verkopen we het slechte nieuws aan zestien miljoen Nederlanders?
Of het kabinet van VVD-PvdA-D66-GroenLinks er daadwerkelijk gaat komen hangt af van de bereidheid van de PvdA en GroenLinks om verantwoordelijkheid te dragen voor een rechts crisis-beleid. En dus van de bereidheid om in vergaande mate naar de pijpen van de VVD te dansen, die als coalitiepartij in een paars-plus kabinet een stevige rechtse meerderheid in de tweede kamer achter de hand heeft. Of de façade van “een scherper en open debat tussen de regering en de controlerende volksvertegenwoordiging” straks kan verhullen dat het nieuwe kabinet een volgende stap is op weg naar een postpolitiek tijdperk, waar botsende ideologieën plaatsmaken voor een overlegstructuur van verlichte technocraten, is zeer de vraag.
Onder het kopje ‘onloochenbare feiten’ stipt Tjeenk Willink de politiek-bestuurlijke crisis aan: “Burgers hebben het gevoel greep te missen op de ontwikkelingen in de eigen omgeving waarvoor zij de overheid verantwoordelijk houden. Zij geloven vaak niet meer dat hun volksvertegenwoordigers wel invloed hebben op de gang van zaken in eigen land en de ontwikkelingen in Europa.” In het vervolg van zijn tekst wordt duidelijk dat die burgers niet alleen dat gevoel hebben, maar dat het gebrek aan ‘greep’ een ‘onloochenbaar feit’ is, waar burgers en politici zich volgens Tjeenk Willink maar beter bij kunnen neerleggen.
De volgende citaten maken dat duidelijk:
“De Nederlandse open economie is kwetsbaar, al is de laatste jaren wel eens een andere indruk gewekt. Financiële markten trekken zich weinig aan van de soevereiniteit van afzonderlijke staten.”
“In het licht van de huidige omstandigheden en onzekerheden dient het tempo van tekortreductie in ieder geval in de pas te lopen met ons omringende landen.”
“De noodzaak de openbare financiën op orde te brengen maakt dat de (financieel-economische) zekerheden die partijen de kiezers hebben proberen te geven hoogst onzeker zijn. De voornaamste eis die aan het nieuwe kabinet wordt gesteld, is het vermogen om met nieuwe onzekerheden adequaat om te gaan, in te spelen op nieuwe, thans nog onvoorzienbare, ontwikkelingen en daarover de bevolking tijdig uitleg te geven.”
De inzet op een klein kernkabinet past in het streven naar een technocratisch kabinet, waarvoor de contouren al eerder door Tjeenk Willink werden geschetst: ‘financieel-economische geletterdheid’ van bewindslieden, geen partijleiders in het kabinet, ‘landsbelang staat boven partijbelang’ en een grotere gemeenschappelijke verantwoordelijkheid bij de personele samenstelling van het kabinet. De ruimte voor het parlement en de oppositie is daarbij beperkt ondanks een weliswaar beperkt coalitieakkoord, maar dat de coalitiefracties (en daarmee de meerderheid van de kamer) wel bindt aan de financiële hoofdlijnen, oftewel hoeveel, in welk tempo en op welke beleidsterreinen bezuinigd zal moeten worden.
Jort Kelder pleitte onlangs voor een zakenkabinet (”Te denken valt aan zorgentrepreneur Jaap Maljers, aan Wiebe Draijer van McKinsey of aan Tex Gunning, hoog bij Akzo.”) en een “zelfbewuste elite” die bereid is om “onze vermoeide pseudo-democratie in te wisselen voor een vitale meritocratie”. Zover gaan de informateurs en onderhandelaars voor paars-plus niet, maar de richting is ‘onloochenbaar’ hetzelfde.
De politiek is hard op weg naar een lege façade waarin politici van links en rechts weinig meer zijn dan een ‘frontend’ om wat zij zelf als onontkoombaar zien, maar wat tegelijkertijd op het eerste gezicht onverkoopbaar is, toch aan ‘het volk’ te verkopen.
Bij die verkoop-techniek van de grootste bezuinigingsoperatie sinds de tweede wereldoorlog, van de afbraak van sociale verworvenheden als de ontslagbescherming, de WW, de volkshuisvesting en van de introductie van nog meer marktwerking in zorg en onderwijs, wordt nu al ruim gebruik gemaakt van een soort ‘nieuwspraak’ die ervoor moet zorgen dat het allemaal een stuk minder erg klinkt dan het is.
Bezuingingen zijn ombuigingen, verslechteringen worden hervormingen, bedreigingen worden kansen, politieke keuzes worden ‘onloochenbare feiten’. En wie zich verzet tegen de afbraak van sociale verworvenheden, is een ouderwetse pessimist die maar niet wil begrijpen dat dertig miljard aan bezuinigingen toch vooral een geweldige kans is voor een betere toekomst. De verontwaardiging over de bonusslurpers, de zakkenvullers en de structurele tekortkomingen en onrechtvaardigheden van het financieel-economische stelsel worden daarbij, net als elk sociaal alternatief daarvoor, in een moeite door weggezet en buiten het ‘open’ politieke debat geplaatst.
Zelf vind ik het nog steeds onbegrijpelijk hoe politici van PvdA en GroenLinks zich met een uiterst dun schilletje aan analyse voegen naar de kaders en weersvoorspellingen van neoliberale economen en managers die de afgelopen jaren bepaald niet het toonbeeld waren van een vooruitziende blik op de toekomst.
De enorme tekorten op de overheids-financieen staan voor een schandalige herverdeling van de welvaart van arm naar rijk in de komende jaren. De onvoorstelbare verliezen van de banken zijn gesocialiseerd, maar de winsten zullen straks weer bij een kleine minderheid terechtkomen. “Wanneer armen in de problemen komen om hun schulden af te betalen, dan komt de deurwaarder aankloppen. Maar als de banken in de schulden zitten, dan komt de onzichtbare hand van Adam Smith in de schatkist graaien. Dit is het kapitalisme voor de armen en het socialisme voor de rijken.”
Mijn collega raadslid Arno Bonte van GroenLinks laat op zijn weblog zien hoe je met oppervlakkige napraterij en gelegenheids-argumenten optimistisch kunt zijn over paars-plus.
Bonte vindt deze bijzin van Tjeenk Willink een ’scherpe analyse’: “Er is een toenemende tegenstelling tussen mensen die in de veranderende samenleving vooral de kansen zien en mensen die die veranderingen vooral als bedreiging ervaren.”
En zegt vervolgens zelf: “Die analyse is in mijn ogen de belangrijkste basis voor Paars-plus. Er tekent zich een nieuwe politieke waterscheiding af: een tegenstelling tussen de optimisten en de pessimisten. De optimisten, de mensen die vooral de kansen zien in de veranderende samenleving, vind je bij GroenLinks, D66, VVD en (in iets mindere mate) bij de PvdA. En de pessimisten, de mensen die de veranderende samenleving vooral als bedreiging ervaren, vind je bij de PVV, SP, SGP en (in iets mindere mate) bij CDA en ChristenUnie.”
Zou het collega Bonte en andere GroenLinksers bij zo’n ‘analyse’ nou ook niet opvallen dat die ‘nieuwe politieke waterscheiding’ perfect overeenkomt met de aloude waterscheiding tussen aan de ene kant de economische elite (vertegenwoordigd door de VVD en D66), de grachtengordel (GroenLinks en D66) en in het algemeen de maatschappelijke lagen die profiteren van de herverdeling van de welvaart onder het neoliberalisme, en aan de andere kant de mensen die niet alleen de ‘veranderende samenleving als bedreiging ervaren’, maar die simpelweg in de praktijk veel te verliezen hebben bij de richting waarin die veranderingen gaan.
Die richting is rechts en asociaal. In plaats van het domweg bejubelen van ‘veranderingen’ in welke richting dan ook, zou het verfrissend en vernieuwend zijn als linkse politici in dit land zich wat minder zouden laten leiden door de waan van de dag en wat meer en grondiger zouden nadenken over het alternatief dat links kan bieden voor de ‘onloochenbare feiten’ en het keurslijf van de ‘postpolitieke’ democratie die voortborduurt op de stelling van Francis Fukuyama dat er geen alternatief meer zou zijn voor de liberale economie en democratie. Ik blijf er van overtuigd dat zo’n alternatief er wel degelijk is.
Een nieuwe anti-establishment politiek die emancipatoir is in plaats van reactionair is, zoals Merijn Oudenampsen dat hier zegt. Een nieuwe linkse politiek die niet alleen opkomt voor behoud van verworvenheden die de moeite waard zijn. Maar die het ideaal van een rechtvaardige, sociale en duurzame wereld weer terugbrengt in het politieke debat. Zodat er straks weer echt wat te kiezen valt.
Gek land, SP & Socialisme |
2 reacties




Als begin twintiger was ik een aantal jaren lid van de PSP. Ben nu nog live and kicking, maar anders zou ik me drie keer omdraaien in mijn graf over de erfenis van MIJN partij.
Van bevrijdend en ontwapenend naar het brede midden. Overbodig in de politiek van vandaag. Kom op Femke Halsema. Zsm. opheffen en fuseren met de neolibs van D66
Goed stuk dat inzicht geeft. Merkel wilde een eind aan de speculatie op de aandelenmarkt (short-selling) Heeft NL dat gesteund? Zoniet dan stemt ze in met het flitskapitalisme dat al zoveel ellende gegeven heeft. De SP moet samenwerking zoeken in Europa voor sociale zekerheid en tegen speculatie en woekerwinsten/bonussen.